25/08/2014  door Jeroen
 

Freire herontdekken (1) – Voorbij de neutraliteit

Heb je een mening? Hou die dan liever voor jezelf, want hier is men neutraal. Er zijn van die plaatsen waar niets zo hoog in het vaandel wordt gedragen als een streven naar neutraliteit. Of dat willen ze je toch doen geloven. Twee belangrijke instituten die soms de indruk willen wekken een bastion van neutraliteit te zijn, nemen we hier onder de loep: het onderwijs en de media.

 

 

Van tijd tot tijd hoor ik verhalen van leerkrachten die worden teruggefloten omdat ze het neutraliteitsprincipe geschonden hebben. Of een andere onderwijzer vertelt net trots hoe hij navigeert tussen de scherpe thema's door, makkelijkheidshalve schermend met de noodzaak tot neutraliteit.

 

Recent laaide de discussie over neutraliteit weer even op, omdat een leerkracht de eer aan zichzelf liet en uiteindelijk besliste een job niet te aanvaarden toen de directie hem liet weten dat hij zijn geaardheid beter voor zichzelf kon houden. “Hoe kan ik leerlingen leren ten alle tijde zichzelf te zijn als ik het zelf niet mag?”, vroeg hij zich af. De directeur-generaal van het openbaar onderwijs in Brussel dient van repliek: “Het is een vorm van neutraliteit om daar niets over te zeggen.”

 

Als je het mij vraagt is neutraal onderwijs onmogelijk. En als het al mogelijk was, dan was het onwenselijk. Beide claims wil ik illustreren door terug te grijpen naar een Braziliaanse pedagoog, Paulo Freire, die zelf een lans brak voor een onderwijs dat alles behalve neutraal was.

education for critical consciousness_freire

In Education for Critical Consciousness schrijft Freire dat “onderwijs nooit neutraal kan zijn.” Want, zo stelt hij: “Zij die praten van neutraliteit zijn exact diegene die vrezen om het recht te verliezen die neutraliteit in te roepen in hun eigen voordeel.” Een onderwijzer moet keuzes kunnen maken van Freire, maar mag die niet opleggen.

 

Het schijnbaar politiek correcte denken rond neutraliteit verbergt nauwelijks hoe onder dat dunne laagje neutraliteitsretoriek onmiskenbaar de dominante waarden schuilgaan. Dat mag op zich niet verbazen, want het moderne (formele) onderwijs is sinds haar ontstaan altijd al een van de belangrijkste instrumenten geweest om de waarden van het systeem over te planten van generatie op generatie.

 

In Freire's meest bekende werk (Pedagogie van de Onderdrukten) klinkt het nog scherper:

“Er bestaat niet zoiets als een neutrale onderwijspraktijk. Onderwijs functioneert ofwel als een instrument dat de integratie van de jongere generatie in de logica van het huidige systeem makkelijker maakt, of het wordt “een oefening in vrijheid”. Een middel dus waarmee mannen en vrouwen leren kritisch en creatief met de werkelijkheid om te springen en ontdekken hoe ze kunnen deelnemen aan de transformatie van hun eigen wereld.”

 

Er is duidelijk een spanningsveld tussen de aspiratie van de ene om via onderwijs studenten de eigen leefwereld en bredere maatschappij te laten transformeren en het streven van de ander naar integratie van studenten in het systeem zoals het is. De strijd tussen beide benaderingen is een ideologische strijd waarbij het soms hard tegen hard kan gaan. In die zin mogen de discussies in de VS over het gebruik van Howard Zinn zijn “A People's History of the United States” in de les geschiedenis niet verbazen. Een voormalige gouverneur van de staat Indiana probeerde het boek zelfs helemaal uit de les geschiedenis te bannen. Bijzonder aan Zinn's boek is dat het niet de geschiedenis vertelt van de presidenten, generaals en grote industriëlen maar wel van de gewone vrouw en man die steen voor steen het land heeft opgebouwd en hierbij soms in heftige strijd met de machtsinstellingen was verwikkeld.

 

Howard Zinn:

“Een van de dingen die ik wil doen is een nieuwe set van helden creëren. Mijn held is niet president Roosevelt, die een generaal feliciteerde na een slachtpartij op Filipijnse dorpelingen, maar Mark Twain die de slachtpartij verwierp en zich satirisch uitliet over het imperialisme.”

 

De voor de hand liggende kritiek op Zinn is dat hij als historicus niet neutraal was. Zelf betwiste hij dat eender welke historicus kon neutraal zijn. Een biografische documentaire over de man kreeg niet voor niets de titel “You can't be neutral on a moving train”. Howard Zinn was een uiterst degelijk historicus, maar uiteraard was hij niet neutraal. Is de keuze om in onze geschiedenislessen meer aandacht te besteden aan keizer Augustus (blijkbaar een groot voorbeeld van Bart De Wever) dan aan de Gracchus broeders of Spartacus wel neutraal? Ook dichter bij huis dringen keuzes zich op. We leren over talloze oorlogsverrichtingen in de eerste wereldoorlog maar krijgen de briljante pleidooien van dienstweigeraars uit die periode op school niet te zien. Geen enkele keuze voor leerstof is volstrekt waardenvrij. In die zin is neutraal onderwijs per definitie een illusie.

Claudius cartoon (artikel Freire)

Zelf mocht ik tijdens mijn universitaire opleiding in de politieke wetenschappen ervaren hoe het vak economie een welbepaalde invulling kreeg, volledig in de lijn van de neoklassieke economie. Alsof dat de enige wetenschappelijke benadering van economische organisatie is! Er bestaan altijd verschillende waarheden. Eén waarheid naar voor schuiven als de objectieve waarheid is gevaarlijk en altijd een ideologische keuze. Schermen met het begrip neutraliteit is evengoed een ideologische keuze. Kiezen om in de klas geen standpunt in te nemen, is kiezen voor het status quo.

 

Om terug te keren naar het voorbeeld waarmee dit stuk werd aangevat: als een leerkracht zijn of haar geaardheid niet mag uiten, dan betekent dat de facto de dominante geaardheid als norm handhaven. Dat heeft niets met neutraliteit te maken. De man in kwestie krijgt heel wat steun, maar sommige steunbetuigingen geven meteen ook aan dat hun auteurs niet willen of kunnen inzien dat dit een symptoom is van een breder probleem. Zij vinden het oké om je te uiten, net omdat het een onderdeel van je identiteit is en geen overtuiging. Dat terwijl de samenleving er wel bij zou varen als in het onderwijs zowel identiteit als overtuigingen meer aan bod konden komen.

 

Media en gekleurd taalgebruik – #TaalIsNietNeutraal

 

Ook taal was in de ogen van Freire nooit neutraal. In het tweede deel van deze bijdrage verschuiven we de aandacht even van de school naar dat andere belangrijke instituut in onze samenleving, de media. Ook de media claimen – columns en opiniestukken buiten beschouwing gelaten – vaak neutraliteit, maar kunnen ze die claim ook hard maken?

 

De voorbije jaren hebben we enkele mooie voorbeelden gezien die perfect illustreren op welke manier woordkeuze en taalgebruik in de media, al dan niet bewust, bijdraagt aan het bevestigen en verspreiden van hegemonische waarden in de samenleving. Taal maakt dan het onderwerp uit van een machtsstrijd waarbij de meerderheid (of bepaalde elite groepen die zich achter de illusie van een meerderheid verschuilen) wordt genormaliseerd en de dissidente stem gecriminaliseerd.

 

Dit fenomeen was zeer duidelijk in de dagen na de “patattenoorlog” in Wetteren. Activisten hebben toen een proefveld met GGO aardappelen gedeeltelijk vernietigd in wat een vooraf publiek aangekondigde actie van geweldloze burgerlijke ongehoorzaamheid was. Hoewel de actie publiek was, alle info bijgevolg bij de ordediensten bekend was en de activisten gedisciplineerd het veld benaderden, regende het verontwaardigde reacties en leek iedereen het erover eens dat er niet alleen vernielingen waren aangericht, maar dat ook geweld was gebruikt.

 

Het Algemeen Boerensyndicaat nam zelfs de woorden “terroristische daad” in de mond en had het ook over “heethoofden die (…) gebrainwashed zijn”. Marino Keulen sprak over “ecofundamentalisme” en Vlaams minister-president Kris Peeters vergat even de scheiding der machten toen hij al daags na het gebeuren opriep tot een vervolging voor bendevorming. In hun bijdrage voor het Nieuwsblad noemden journalisten Stef Telen en Peter Dirix de activisten van het Field Liberation Movement “de meest gehate groepering van het land”. Ze spraken van een “verwoestende raid”. Europees parlementslid voor Groen, Bart Staes, waagde het om eerstdaags na de actie begrip te tonen voor de activisten, maar werd meteen door Marleen Temmerman teruggefloten. Ze snoerde hem de mond, door niet weinig ironisch te stellen dat “het net de wetenschappers zijn die vragen om meer debat, maar dat de GGO tegenstanders het debat in de kiem smoren”. Ze spreekt overigens van “fundamentalisten”, “hooliganisme” en “herrieschoppers”.

 

Het is maar een bloemlezing van een stortvloed aan verwensingen en beledigingen die de activisten naar hun hoofd kregen. Even opvallend was hoe beweringen van tegenstanders zonder aanhalingstekens in de krant verschenen terwijl claims van de activisten (bijvoorbeeld over het geweldloze karakter van de actie) vaak tussen aanhalingstekens werden geplaatst. Op die manier maakten journalisten duidelijk welke stemmen ze als 'neutraal' en dus 'waar' beschouwden en welke twijfelachtige of misschien zelfs leugenachtige beweringen waren. De onkritische lezer kan in dat geval maar tot één conclusie komen en dat is diegene die in de media gepropagandeerd wordt: het gaat hier om gevaarlijke, hersenloze relschoppers!

 

Intussen is duidelijk dat de activisten op heel wat fronten wel steun krijgen en dat ze effectief een doodgebloed maar broodnodig debat weer aangezwengeld hebben. Maar zo kort na de actie was een afwijkende mening amper te bespeuren in de pers. Het is een mooi voorbeeld van wat Chomsky en Herman omschrijven als “manufacturing consent” door de media. In hun gelijknamige boek portretteren de auteurs de massamedia als propagandakanalen voor overheids- en industriële belangen. Machtsgroepen zijn sterk verbonden met de belangrijkste media en die organiseren verschillende filters om er zeker van te zijn dat de berichtgeving de dominante waarden bevestigt in plaats van ze in vraag te stellen. Op die manier wordt een illusie van consensus gecreëerd. Moet het ons in die optiek verbazen dat deze activisten nog steeds gerechtelijk vervolgd worden voor onder meer “criminele bendevorming”?

 

NingunSerHumanoEsIlegal

Een andere illustratie van ideologisch taalgebruik is het hardnekkig vasthouden aan het begrip 'illegaal' voor mensen zonder papieren in de media. Op 19 augustus stond in De Standaard opnieuw een verwijzing naar 'illegalen' bij het bericht dat een recordaantal 'illegalen' langs de E 40 was onderschept. Ombudsman van de krant, Tom Naegels, heeft nochtans reeds in 2011 geoordeeld dat het woord illegalen 'weg moet' omdat het woord overduidelijk negatief beladen is en sowieso een problematische categorie.

Maar het is journalisten blijkbaar te sterk en hardnekkig zie je het woord terugkomen. Een snelle zoekopdracht levert alleen al in de voorbije maand meerdere hits op in tal van Belgische nationale media. Toch blijft de term even problematisch als die altijd al is geweest. Het heeft een negatieve bijklank en ontmenselijkt de personen op wie het label gekleefd wordt. Een mens zonder papieren, daar kan je jou wat bij voorstellen. Maar hoe kan een mens illegaal zijn? Het is bijna letterlijk zeggen dat iemand geen bestaansrecht heeft. Enkel een kil en antisociaal bureaucratisch staatsdenken is tot dat soort conclusie in staat.

0181-25

 

Of wat te denken van de berichtgeving in de VS na de doortocht van de orkaan Katrina in New Orleans. Heel wat mensen waren door water van reguliere voedselvoorziening afgesneden, waarbij sommige media het durfden presteren om blanken voedsel te laten 'vinden', terwijl Afro-Amerikanen supermarkten 'plunderden' om aan voedsel te raken.

 

Een verdere analyse zal al snel nog veel meer woorden opleveren die duidelijk maken hoe gekleurd het taalgebruik in onze media is. En ook hoe hard dit taalgebruik mee evolueert met de dominante politieke tijdsgeest. De ene dag is de PKK een terroristische groepering, de andere dag levert de Syrische poot van de groepering, YPG, broodnodige bijstand voor Iraakse strijders die yezidische vluchtelingen proberen evacueren. Voor De Morgen is de PKK in haar berichtgeving over de yezidi's op 11 augustus 2014 een guerillagroep, terwijl het op 31 mei van hetzelfde jaar nog een terreurgroep was in een bericht over een PKK kantoor in Brussel.

 

Moeten we ons trouwens ook geen vragen stellen bij de discrepantie tussen de manier waarop media spreken over het recht op zelfverdediging van Israël versus de eisen van Hamas. Wie even inzoomt op de eisen van de Palestijnen, komt al snel tot de conclusie dat het meestal eigenlijk om vanzelfsprekende rechten gaat. Waarom benoemen we het een als een recht en het ander als een eis? Hoe is dat neutraal?

 

We zouden nog lang kunnen doorgaan, want voorbeelden zijn er genoeg. Maar mijn punt is hopelijk duidelijk: ook in de media is, net zoals in het onderwijs, geen sprake van neutraliteit. In beide gevallen verbergt de 'neutrale vlag' de dominante maar subjectieve visie op de realiteit. Die visie wordt vaak als legitiem, als de norm gezien, en dat is net waar het machtsgroepen die belang hebben bij een status quo om draait. Een hegemonische strijd gaat niet om gelijk hebben, maar om gelijk krijgen. Als je een bepaald idee maar lang en vaak genoeg via voldoende betrouwbare kanalen, gaande van scholen tot 'kwaliteitsmedia', herhaalt dan wordt het vanzelf de norm. Dan zal de meerderheid dat idee ook internaliseren, zelfs als het indruist tegen eigen gevoel en persoonlijk belang.

 

Neutraliteit vergeten

Freire beschouwt onderwijs en massamedia in de geïndustrialiseerde landen in de eerste plaats als instrumenten in functie van het uitoenfenen van sociale controle. Op die manier manifesteert een groot deel van de onderdrukking zich hier op veel subtielere wijze dan in landen waar fysieke intimidatie en geweld nog dagelijkse kost zijn. Die brute repressie is hier, uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, niet noodzakelijk want minderheden hebben zich de dominante waarheden in belangrijke mate eigen gemaakt.

De eerder gemaakte vaststellingen over het krampachtig vasthouden aan een illusie van neutraliteit houden sterk verband met het concept post-politieke ruimte. We leven in zekere zin in een samenleving die in belangrijke mate gedepolitiseerd is. Het maatschappelijk debat wordt weg gedelegeerd naar beroepspolitici en ook op dat niveau worden veel problemen voorgesteld als puur technische problemen waar dus ook een technologische oplossing voor moet komen. Technologische oplossingen die volgens wetenschappelijke principes tot stand komen en dus per definitie neutraal zijn.

 

Wie het oneens is met die technologische oplossingen is in het beste geval onwetend, misschien wel onredelijk of zelfs gevaarlijk radicaal. Een echt politiek debat wordt op die manier in de kiem gesmoord. Het resultaat is een volledig gepacificeerde samenleving, waar geen ruimte meer is voor sociale strijd – en dus ook niet voor sociale verandering. Conflict vermijdend gedrag van de gevestigde orde, zo zou je het ook kunnen noemen.

 

Het woord conflict heeft ten onrechte een negatieve bijklank gekregen. Dat terwijl conflict een essentieel onderdeel is van een gezonde samenleving. En dus ook van een gezond onderwijs als we jongeren willen voorbereiden op een rol als volwaardige, kritische burgers in die samenleving. We moeten niet alles toedekken: laat ons maar van in de schoolbanken leren discussiëren en in de clinch gaan. Leren argumenten opbouwen, kritisch in overweging nemen, stellingen verdedigen en weer verlaten. Samen valse waarheden ontmaskeren of op zijn minst nuanceren. Om die zaken te stimuleren moeten we de neutraliteit opgeven en een sfeer creëren waarin dialogisch leren mogelijk is. Dit is noodzakelijk een kritische pedagogie waarin een taal van kritiek gekoppeld wordt aan een taal van mogelijkheden. De klas houdt dan op een steriele plaats van kennisoverdracht te zijn en wordt een school voor het leven.

 

Het is ook in dat soort sfeer dat we onze relatie tot de media kunnen herdefiniëren. Eén manier om dit te doen is via het krantentheater van Augusto Boal waar we bij LABO vzw ook mee aan de slag gaan. Via tal van technieken ontmaskeren we de 'neutraliteit' van berichtgeving en kunnen zo tot een beter en meer geïnformeerd inzicht komen. Het gaat daarbij niet om 'mediabashing', maar wel om nieuws in perspectief plaatsen. Dit door beweringen uit de media aan te vullen met andere mediaberichten en al dan niet direct gelinkte informatie. Als er niet één omvattende waarheid is, dan komen we via het proces van krantentheater opnieuw dichter bij een genuanceerde kijk. Dit door het weghalen van berichten uit het isolement van een krant waar ze gedecontextualiseerd en gefragmenteerd zijn en door ze vervolgens weer onderling te linken, ontleden en binnenstebuiten te keren.

 

Laat het bij deze duidelijk zijn: ik claim noch in deze blogpost, noch in eender welke andere bijdrage een neutrale positie in te nemen. Zoals Freire al stelde: “wie neutraal is in het conflict tussen de machtigen en de machtelozen, kiest de kans van de eersten.” Solidair zijn impliceert soms kant kiezen. Ik expliciteer waar ik voor sta, maar ik leg niets op. Dat is een fundamenteel verschil. Op basis van mijn stellingname kan je met mij het debat aan gaan en het eens of oneens zijn. Een onderwijs waarin ruimte wordt geschept voor dit soort kritisch debat zal een rijker onderwijs zijn dat jongeren voorbereidt op veel noodzakelijk maatschappelijk debat dat nog steeds te weinig gevoerd wordt.

 

Wie claimt neutraal te zijn heeft eigenlijk al voor één waarheid gekozen. En daaruit volgt dat wie claimt neutraal te zijn het debat sluit voor het begonnen is. Zo ontzeg je de ander het recht op een eigen, misschien wel afwijkende mening. Op die manier trek je met neutraliteit altijd en overal de kaart van het dominante systeem. En wat daar zou neutraal aan is, dat mag iemand me toch eens uitleggen.

 

In deze reeks wil sociaal laborant Jeroen Robbe stilstaan bij de actuele meerwaarde van het werk van Paulo Freire voor een emancipatorische pedagogische praktijk. Verschillende concepten en deelaspecten van het werk van Freire worden van onder het stof gehaald, geanalyseerd en waar nodig geactualiseerd. Het is een terugblik die ons in staat stelt om vooruit te kijken.